Tips voor de opvoeding

  • Geef je kind regelmatig keuzes.
    - 'Wil je de tafel afruimen of de hond uit laten?'
    - Leg bijvoorbeeld twee stapeltjes kleren klaar waaruit je peuter of kleuter mag kiezen.
    - 'Wil je nu met mij boodschappen doen of liever over een half uur?'

     
  • Bereid je kind voor op situaties.
    - 'Morgen gaan we rond 12 uur een stukje wandelen en daarna gaan we naar opa en oma.'
    - 'Je mag nog 5 minuten spelen, dan gaan we naar de bibliotheek.'
    - 'Morgen kun je niet bij een vriendin logeren, want Tom en Joyce komen op bezoek.'

     
  • Leg kinderen uit waarom je iets zegt of vraagt. Je kunt hierbij ook je behoeften aangeven.
    - 'Mag de muziek iets zachter? Ik heb een beetje hoofdpijn en behoefte aan wat rust.'
    - 'Ik zou het fijn vinden als jij een paar boodschappen wilt halen. Ik heb voordat ik ga koken behoefte aan een beetje ontspanning, omdat ik een erg drukke dag heb gehad.'
    - 'Wil je op de bank gaan zitten en niet erop springen? Ik ben bang dat je straks pijn doet. Ik zou het ook jammer vinden als de bank stuk gaat.'

     
  • Laat kinderen zelf leren van diverse ervaringen, zowel leuke als minder leuke en leer hun verantwoordelijkheden te dragen.
    - Je maakt je puberdochter bijna elke ochtend wakker, want ze slaapt regelmatig door de wekker omdat ze 's avonds erg laat gaat slapen. Vertel haar dat ze nu oud genoeg is om zelf verantwoordelijk te zijn om op tijd op school te komen en dat je haar niet meer zult wekken. Waarschijnlijk zal ze zich wel een paar keer verslapen. Hopelijk leert ze van de eventuele consequenties. Misschien verslaapt ze zich nooit meer, omdat zij nu zelf verantwoordelijk is.
    - Je zoon van 11 heeft morgen een topotoets. Je hebt hem nog niet zien leren en vanmiddag speelt hij bij een vriendje. Net voordat hij naar bed gaat, schiet het hem te binnen. Je kunt hem ondersteunen door te zeggen dat je het vervelend vindt dat hij het is vergeten. Je vindt het echter niet goed dat hij nog een half uur langer opblijft. Je kunt hem vragen hoe hij zelf denkt het op te lossen.
    - Je peuter of kleuter heeft een plantje gekregen. Je hebt met hem besproken dat het plantje iedere dag een beetje water moet krijgen om gezond te blijven en om te groeien. Als je kind vergeet om het plantje water te geven, zie je dat de blaadjes van het plantje gaan hangen. Je maakt geen verwijt, maar zet het plantje op een plek waar je kind het plantje zeker zal zien of je verwoordt wat je ziet: 'Ik zie dat het plantje zijn blaadjes laat hangen.'

     
  • Vraagt je kind in een bepaalde periode volgens jou veel negatieve aandacht? Realiseer je dan dat wat je aandacht geeft, meestal groeit. Negeer bepaald gedrag als het niet om iets heel belangrijks gaat en focus je vooral op de kwaliteiten en mooie dingen die je kind laat zien.
     
  • Stel realistische doelen. Een peuter kan bijvoorbeeld niet een uur keurig aan tafel blijven zitten en niet iedere puber zal uit zichzelf zijn slaapkamer netjes houden. Kijk naar je kind om te beslissen wat haalbaar is.
     
  • Maak je rol als opvoeder zo nu en dan bespreekbaar met je kind. Vraag hem wat hij wel of juist niet prettig vindt aan de opvoeding en aan jou als opvoeder. Wat zou hij later hetzelfde doen en wat absoluut anders. Waarom is dat zo?
  • Praat met je kind over zijn - en eventueel jouw - kwaliteiten. Wat vindt het kind dat hij heel goed kan of een hele positieve eigenschap? Wat vindt hij lastiger? Hoe komt dat? Wat vindt jij als opvoeder een prachtige kwaliteit van je kind? Vertel je kind aan de hand van enkele voorbeelden waarom dit zo is. Omgekeerd kun je het ook over jou hebben.